De Pacificatie van 1917: de historische achtergrond
Het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs is diep geworteld in de Nederlandse geschiedenis. Bij de zogenoemde Pacificatie van 1917 werd de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs in de Grondwet vastgelegd — een politieke compromis dat ons onderwijssysteem tot op de dag van vandaag kenmerkt.
Sindsdien worden openbare scholen (opgericht door de overheid) en bijzondere scholen (opgericht door private initiatieven, doorgaans religieuze organisaties) op exact dezelfde wijze door de overheid gefinancierd. Dit is uniek vergeleken met de meeste andere landen, waar religieuze scholen vaak een aparte financieringsstatus hebben.
Het verschil in de praktijk
Openbare scholen zijn in principe toegankelijk voor alle kinderen, ongeacht afkomst, religie of levensovertuiging. De school is neutraal ten aanzien van godsdienst en levensbeschouwing — al kunnen leerlingen op openbare scholen ook godsdienstonderwijs volgen van een externe docent als de ouders dat wensen.
Bijzondere scholen zijn opgericht vanuit een levensbeschouwelijke of religieuze grondslag. De meest voorkomende zijn rooms-katholiek, protestants-christelijk, islamitisch en joods. De denominatie bepaalt mede de cultuur en het karakter van de school: de liedjes die worden gezongen, de vieringen die worden gehouden, en soms ook de normen rond gedrag en samenwerking.
In de praktijk zijn de meeste bijzondere scholen echter open voor alle kinderen. Een rooms-katholieke school zal zelden een niet-katholiek kind weigeren, tenzij de school overbelast is. De school kan wél een voorkeur uitspreken voor leerlingen waarvan de ouders de identiteit van de school "respecteren" — wat in de praktijk breed wordt uitgelegd.
Praktisch
Bent u niet religieus maar overweegt u een bijzondere school? Vraag tijdens het schoolbezoek expliciet hoe de school omgaat met kinderen die niet dezelfde levensbeschouwelijke achtergrond hebben. In de meeste gevallen is er meer ruimte dan u verwacht.
Welke denominaties zijn er?
De meest voorkomende denominaties in het Nederlandse basisonderwijs zijn:
- Rooms-katholiek (r.k.) — Historisch de grootste groep, met veel scholen in Noord-Brabant, Limburg en de grote steden.
- Protestants-christelijk (p.c.) — Sterk vertegenwoordigd in de Bijbelgordel (van Zeeland tot Overijssel) en in veel andere regio's.
- Openbaar — Neutraal, toegankelijk voor iedereen.
- Islamitisch — In opkomst, met scholen in de grote steden.
- Reformatorisch — Strikt protestants; in de praktijk sterk verbonden met de Bijbelgordel.
- Algemeen bijzonder — Opgericht vanuit een niet-religieuze levensbeschouwing (zoals humanisme), of vanuit een pedagogisch concept (Montessori, Dalton, etc.).
Maakt de keuze nog iets uit?
Voor de meeste ouders in stedelijke gebieden maakt de denominatie in de praktijk minder uit dan de locatie, het inspectie-oordeel en de sfeer op school. In kleinere gemeenten en op het platteland kan het onderscheid groter zijn, omdat er minder alternatieven zijn.
Let wel: op scholen met een sterke religieuze identiteit zijn er doorgaans meer religieuze vieringen, gebeden voor of na de les, en een nadruk op waarden die voortvloeien uit de denominatie. Voor sommige gezinnen is dit een reden om juist voor zo'n school te kiezen; voor anderen is het een reden om te mijden.
Het meest praktische advies: bezoek de school en beoordeel de cultuur op de vloer. Een openbare school kan meer warmte uitstralen dan een formeel religieuze school, of andersom.
Vind de beste basisschool voor jouw kind
Basisschoolkiezer vergelijkt alle scholen in jouw buurt op basis van jouw persoonlijke voorkeuren — gratis, in 2 minuten, zonder account.
Start gratis schooladvies →